6675 Jan, ’t is vastenavond

In mijn jeugdjaren (1941-1953) hadden we nog nooit van carnaval gehoord.  De drie dagen voor aswoensdag (het begin van de veertigdagentijd voor Pasen) werden vastenavond genoemd.  Ik herinner me uit die tijd dat het veertigurengebed werd gehouden in de kerk. Een bidmanifestatie vanaf de zondag tot en met de dinsdag, dag en nacht. Mannen werden ingeroosterd om enkele uren te bidden in de kerk. Ook mijn vader werd ingeroosterd.

Verder kregen we op de dinsdag oliebollen, die mijn vader zelf bakte. En we liepen rond met een rommelpot.

Die rommelpot maakten we door een varkensblaas op te blazen, te laten drogen en deze over een pot of een blik te spannen. Aan de blaas bevestigden we dan een rond houtje. Door het houtje op en neer te bewegen, ging het vel trillen en de lucht in het potje trilde dan mee en maakte dat typische - foeke foeke foeke - geluid van de rommelpot. Iedereen kon het maken en het kostte je niks.

We zongen daarbij het volgende liedje:

Jan ’t is vastenavond. 
ik kom niet thuis voor ‘s avonds
’ s avonds in de manenschijn
als vadder en moeder naar bed toe zijn.

Snij mar diep, snij mar diep, 
snij mar in mun duimpje niet
Ik heb gezongen en niks gehad
gif me ’n stuk van ’t vèrreke z’n gat

Rommelerij, rommelerij,
gif me unne cent dan ga’k voorbij,
gif me unnen appel of ’n peer.
dan kom ik ’t hele jaar nie meer.

Filmpje overgenomen van de site: Brabant in Beelden

Er is veel veranderd in die jaren tussen de rommelpot en nu. Er is een zeer groot verschil tussen het filmpje hier boven en enkele beelden van de optochten van afgelopen zaterdag en zondag in onze woonplaats.

.
HIER en HIER zijn nog meer foto’s
.
EN . . . Je hoort NIEMAND meer zingen: Jan, ’t is vastenavond

6628 Kerstdiner vervangt kerstgedachte

‘Kerstdiner belangrijker dan leren lezen, rekenen en schrijven’, was mijn allereerste zwaar overtrokken reactie toen ik in de week voor kerstmis de kop boven het bericht zag staan.

Er stond: Het leed dat het kerstdiner op de basisschool heet: ‘Ik denk dat ik 20 euro kwijt was aan boodschappen’

Het artikel gaat over Brabantse moeders die zich uitsloven voor de bijdrage van hun kinderen aan het kerstdiner op school. In het artikel blijjkt  dat veel moeders het een verplichting voelen en dat het eigenlijk ook wel ietwat overdreven is en kostbaar.

Een uitspraak van een ouder is me uit het hart gegrepen en was ook de mening die ik destijds op school verkondigde: “En de nadruk mag van mij veel meer liggen op de kerstgedachte van samen zijn in plaats van eten, eten en eten”.

Kan me nog herinneren dat we destijds op school jaarlijks vlak voor kerstmis een musical opvoerden. Een musical waar het gebeuren in Bethlehem in de kerstnacht centraal stond. Op een gegeven moment was de musical zo’n succes dat we deze zelfs opgevoerd hebben voor leden van de Zonnebloem tijdens hun jaarlijkse kerstviering in het plaatselijke theater. De pastoor – ook aanwzig bij die viering – refereerde in zijn kerstpreek aan de engelen die hij in de musical had gezien.

In de jaren na die prachtige uitvoering veranderde er veel op school en een kerstmusical waarin het kerstgebeuren centraal stond werd vervangen door een kerstmaaltijd waar het eten centraal stond. Ik had daar heel veel moeite mee.

Aan bovenstaande moest ik denken toen ik het hier boven aangehaalde artikel las.
Tja . . .  kerstdiner vervangt kerstgedachte

P.S.
Op 23 december  besteedt de columnist Niels Herijgens in zijn column in het Brabants Dagblad ook aandacht aan het kerstdiner op school: Kerstdiner op school, de finale van de traktatiecompetitie. Hij schrijft o.a.  . . . Nu veranderen haast overal klaslokalen in decemberbistro’s. Vreten op aarde! . . .

 

6623 Van Zalig naar Fijne . . .

Ik kan het beeld nog voor de geest halen. In de kast links van de bedstee in de woonkamer van mijn geboortehuis stond een stevig kartonnen doosje waar mijn vader zijn visitekaartjes in bewaarde. Tegen Kerstmis haalde hij het doosje te voorschijn en verstuurde hij een paar kaartjes in hele kleine envelopjes (met een postzegel van 2 1/2 cent erop). Onder in de linkerhoek schreef hij Z.K. en rechtsonder Z.N. Deze afkortingen betekenden Zalig Kerstmis en Zalig Nieuwjaar.

In de loop der jaren veranderden de visitekaartjes van mijn vader in bedrukte briefkaarten. Daarna werden zelf-geknutselde-kaarten verzonden. Weer later kleurig bedrukte kaarten in allerlei soorten en maten. Momenteel kan men overal digitale kaarten versturen met of zonder gif.bestand.

Het ‘Kerstmis’ van mijn vader veranderde in Kerstfeest; dat werd later Kerstdagen en nu hebben we de Feestdagen.
‘Zalig’ werd achtereenvolgens ‘Gelukkig’, ‘Prettige’ en nu kennen we de ‘Fijne Feestdagen’.

Tja . . . Binnen een eeuw  . . . van Zalig naar Fijne . . .

 

8689 Omdat we het verleden niet willen vergeten

Twee extra voorstellingen van ‘Wittenog’ in Nijnsel

NIJNSEL – Harrie Sijbers en Nico van de Wetering geven twee extra voorstellingen van ‘Wittenog’. 
In ‘Wittenog’ nemen de zanger en de conferencier het publiek mee op een reis door de tijd, met een mix van milde humor en prachtige liedjes. De voorstelling is doorspekt met herinneringen aan vervlogen tijden waarin de kinderjaren weer naar boven komen.

Bovenstaande bericht trof ik van de week aan in ons regionaal dagblad. Vooral de titel ‘Wittenog’ van de voorstelling trok mijn aandacht. Want ik moest meteen denken aan mijn boek: ‘Witte gè dè nog?’ Het boek waarin ik mijn herinnneringen aan de eerste 25 jaar van mij leven opgeschreven heb en een kijkje geeft hoe het er vroeger bij ons aan toe ging.

Het was een mooie tijd en het opschrijven van mijn herinneringen was een zeer aangename bezigheid. Het laten drukken van de paperback met 148 bladzijden en het uitdelen van het boek aan familie en vrienden was een mooie afsluiting van het schrijfproces.

Inmiddels ben ik begonnen om mijn herinneringen aan D’n Boerenbond op te schrijven. Mijn vader werkte 40 jaar op de mengvoederfabriek van de Coöperatieve Handels-vereniging (CHV), die in de volksmond de Boerenbond werd genoemd. Tijdens mijn kweekschooljaren (1961/1962) heb ik op de CHV diverse vakantiebaantjes gehad. Het moge duidelijk zijn dat ik vele herinneringen heb aan wat destijds de grootste mengvoederfabriek van West-Europa was.

Mijn herinneringen vertel ik nu ook regelmatig tijdens de rondleidingen die ik verzorg in de voormalige fabriek, die nu omgeturnd is tot een food- en cultuurcluster.

Al die herinneringen schrijf ik nu op in ‘D’n Boerenbond – Een Rondleiding‘, omdat we het verleden niet willen vergeten

 

 

6554 ‘We bemmele wir op huis aon’

Ik weet niet meer precies hoe ik er op kwam, maar van de week schoot ineens die uitdrukking door mijn hoofd die mijn vader wel eens gebruikte: ‘We bemmele wir op huis aon.’

In mijn kinderjaren nam mijn vader tijdens de zomervakantie een paar verlofdagen op. Meestal gingen we dan op de fiets richting de streek waar mijn voorouders en mijn vader  geboren zijn.

Wanroij , Escharen en omstreken waren dan het doel van onze fietstocht. Zo kan ik me herinneren dat we op een dag in augustus richting Langenboom, ’t Oventje fietsten met het hele gezin. Bij een vriend van mijn vader die Café ’t Huukske runde, stopten we. Het weekend vantevoren was er kermis geweest en in de zaal achter het café was nog niet alles opgeruimd.

Wij kregen een glas ijskoude limonade (!!!) en mijn vader dronk een glaasje bier. Ik kan me niet herinneren hoe lang we daar gezeten hebben en waar mijn ouders en de eigenaar over gesproken hebben. Maar op een gegeven moment was het tijd om weer naar huis te gaan. Mijn vader stond op en sprak de historische woorden: ‘We bemmele wir op huis aon.’

 

 

6510 De ‘R’ zit weer in de maand

Het is september, vanaf nu zit de R weer 'in de maand'! Dat betekent dat het mosselseizoen volgens traditionele opvatting is aangebroken. De R in de maand betekent voor veel mensen ook het startschot voor het slikken van extra vitaminen.

Bovenstaande was de tekst die ik op mijn scherm kreeg toen ik de titel van dit bericht bij Google intikte. In mijn gedachten moet daar ook nog aan toegevoegd worden: innemen van levertraan.

Want . . . ik kan me nog herinneren dat ik kokhalzend en rillend een lepel levertraan van mijn moeder kreeg. Ik kan die ontzettend vieze smaak en reuk in gedachten nog naar boven halen. GGGRRRR . . . AARRGGGHHH.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang en hoe vaak dat wij dat van mijn moeder moesten slikken. Daarvoor is die ontzettend nare ervaring te ver weggezakt.

Kan me nog wel goed voor de geest halen dat er op kostschool een aantal jongens waren die elke morgen voor het ontbijt in de refter een lepel levertraan moesten nemen. In de hoek van de eetzaal waar het kastje met de levertraan stond stonk het altijd naar dat ‘vieze goedje’. Ik hoopte dat ik nooit in die hoek aan tafel kwam te zitten. Naast dat kastje was ook het rek waar de servetten bewaard werden, zo kwam je toch nog elke dag in aanraking met die ontzettend vieze geur van de levertraan. Als ik het tafereel voor mijn geest haal, komt de ontzettend vieze geur van die extra vitaminen weer in mijn neus. GGGRRRR . . . AARRGGGHHH.

Tja . . . Herinneringen bij: De ‘R’ zit weer in de maand

6414 Vuurrode pioenrozen

Op de Eerste Pinksterdag dwalen mijn gedachten vaak terug naar vroeger, naar de tijd dat ik op kostschool zat. De laatste jaren van mijn verblijf daar hadden we een groepje van drie die zorgden voor de versiering van de kapel.

In het souterrain onder de kapel werden de bloemstukken gestoken. Met Pinksteren gebruikten we altijde rode pioenrozen. Grote vazen waarin wat kippengaas zat (we kenden nog geen oasis) staken we keurig vol met die prachtige rode bloemen.

Het opmaken van de vazen was voor mij een mooie onderbreking van het eentonige leven op de kostschool. Alle dagen, alle weken, alle maanden waren daar hetzelfde. Maar vlak voor Pinksteren vulde ik vazen met prachtige vuurrode pioenrozen

6412 Ik moet er niet aan denken

Op 29 mei 1953 waren Edmund Percival Hillary en Tensing Norgay de eerste mensen die de Mount Everest succesvol beklommen. Lange tijd dacht men dat het onmogelijk was om de Mount Everest te beklimmen. Bovenaan de bergtop, op 8850 meter hoogte bevat de lucht nog maar een derde zoveel zuurstof als op zeeniveau.

Van die historische onderneming heb ik destijds op kostschool een film, een documentaire gezien die op mij grote indruk maakte. Wat een prestatie werd daar geleverd.

Aan die eerste gelukte beklimming en die film van 70 jaar geleden moest ik denken toen ik van de week het bericht zag staan: Nepalese sherpa breekt record en beklimt Mount Everest voor 28ste keer

Een Nepalese sherpa heeft voor de 28ste keer de top van de Mount Everest bereikt. Daarmee heeft de 53-jarige Kami Rita het record weer alleen in handen. De afgelopen week was er een andere Nepalese sherpa die Rita's vorige record van 27 beklimmingen evenaarde.
De klimmer beklom de 8849 meter hoge Himalaya-reus via de traditionele zuidoostelijke route, zegt een woordvoerder van het Nepalese toerismebureau. Volgens zijn werkgever ontwikkelde Rita op jonge leeftijd een passie voor klimmen. In 1994 bedwong hij 's werelds hoogste bergtop voor het eerst. Daarna deed hij dat bijna ieder jaar.

Tja . . . 28 keer die berg op en ook weer af. Sinds in 1953 Hillary en Norgay de top bereikten heeft de hoogste berg van de wereld veel aantrekkingskracht op klimmers van over de hele wereld.
Klimmen naar bijna 9 km hoogte. Ik moet er niet aan denken.

Edmund Percival Hillary en Tensing Norgay

6402 Waar de konijnen- en mollenvellen aan de spanten hingen

Afgelopen zaterdag kwam ik het bericht tegen: Last van mollen? “Er is maar één manier om nooit molshopen in je gazon te hebben”

Ik heb het bericht helemaal doorgelezen. Niet omdat ik last van mollen in mijn tuin heb, maar omdat ik benieuwd was hoe je ze kunt bestrijden.

Een zin  uit het artikel was er de oorzaak van dat herinneringen en beelden uit het verleden weer bij me naar boven kwamen.

Als je een hoop ziet bewegen, schep dan diep in de hoop de mol op. Gebruik sterke handschoenen en houd hem bij zijn voorpoten vast, een bange mol kan flink bijten.

Ik moest toen denken aan onze plaatselijke mollenvanger uit de jaren 50 van de vorige eeuw. De man stond ook met de schop in de hand bij een molshoop te wachten tot deze bewoog; maar de mollenvanger pakte de mol niet vast maar sloeg hem met de schop dood. Hij bracht het mollenvelletje dan naar de plaatselijke visboer, die als bijverdienste een handeltje dreef in konijnen- en mollenvellen. Hij hing deze in een loods naast zijn huis aan de spanten van het dak te drogen. Ik heb er ook wel eens een konijnenvelletje – van een konijn dat mijn vader geslacht had – naar toe gebracht. Ik kreeg van de visboer een kwartje en ik was de koning te rijk.

Die handel van die visboer was er de oorzaak van dat ik niet graag in zijn viswinkel kwam. De winkel bestond uit twee gedeelten. Links stond de kassa en lagen de vissen en rechts van het gangetje lagen wat groenten in kisten. Wij aten vroeger nooit vis, soms een rolmops uit een potje. Mijn moeder stuurde me wel eens naar de visboer voor een krop sla. Ik had altijd het idee dat de sla naar vis stonk. Gelukkig hadden we een hele grote moestuin en hoefde ik maar zelden naar die visboer, waar de konijnen- en mollenvellen aan de spanten hingen

 

6374 75 jaar geleden

Een paar dagen geleden zag ik boven een bericht staan: Waarom je je eigen brood moet bakken.

Het bericht benadrukt vooral hoe LEUK het is om zelf brood te bakken. Ene Judith Dekker schrijft o.a. in het bericht: “Nu voelt het bakken als een mindful activiteit én eet ik beter, lekkerder en verser.”

Mindful activiteit, zag ik staan en in mijn hoofd kwam ineens een beeld op. Het beeld van mijn vader die brood aan het bakken was. Ik denk dat ik een jaar of vijf, zes was; dus dan is dat geweest in 1946 of 1947. Mijn vader die aan de keukentafel kneedde en kneedde en het deeg in een grote ronde gietijzeren pan deed. Ik heb geen herinnering meer aan de oven, maar ik zie wel dat het ronde gebakken brood uit de pan werd gehaald. We hadden ook een rechthoekig bakblik, dat heb ik ook zien gebruiken door mijn vader.

Ik denk niet dat het brood bakken voor mijn vader een mindful activiteit was. Naar de reden van het zelf bakken kan ik nu alleen maar gissen.

Ik denk niet dat mijn vader brood bakte omdat hij het leuk vond. Het was veel eerder bittere noodzaak om de kosten te beperken zo vlak na de oorlog of de ingrediënten had hij toch voorhanden.

Tja . . . Een bericht op mijn iPad roept zomaar een herinnering in me op van 75 jaar geleden.